Je Kind Op School

Differentiatie

Tegenwoordig wil het onderwijs, passend onderwijs, dat kinderen zo lang als mogelijk in dezelfde klas blijven. Hierdoor ontstaan klassen waarin grote verschillen tussen kinderen kunnen zijn. De een heeft moeite met de stof en de andere beheerst de stof juist al en heeft meer verdieping nodig. Om hier mee te kunnen werken is differentiatie noodzakelijk. Op deze manier kunnen leerkrachten variëren in de instructie, leertijd en ondersteuning die ze geven. In het basisonderwijs zijn er voor elk vak doelen gesteld die de kinderen aan het einde van deze periode moeten beheersen. Leerkrachten doen er alles aan om dit met de kinderen te bereiken. Dit kan op verschillende manieren.

Convergente differentiatie

Bij convergente differentiatie worden er minimumdoelen aan de groep als geheel gesteld. De groep blijft bij elkaar en blijft heterogeen. De leerkracht begint de les met een instructie. Deze is voor de hele groep bedoeld. Vervolgens gaan de kinderen zelfstandig aan de slag. Hierdoor heeft de leerkracht tijd om de ‘zwakke leerlingen’ extra instructie te geven. Zij krijgen dus een dubbele instructie, waar zij erg gebaat bij zijn. Kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong krijgen verdiepingsstof aangeboden waardoor zij extra uitgedaagd worden. Deze vorm van differentiatie stelt hoge verwachtingen aan de zwakkere leerlingen, waardoor ze in de klas kunnen blijven en geen aparte leerlijn krijgen.

Divergente

Bij divergente differentiatie werken de kinderen in homogene groepen. De doelen worden voor elk kind apart bepaald. Deze sluiten dus aan op het niveau van het kind. Dit heeft als gevolg dat de zwakke leerlingen bij elkaar zitten en ook de kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong zitten bij elkaar. Dit zorgt ervoor dat de zwakkere leerlingen geen mogelijkheid krijgen om van de betere leerlingen te leren. Ook missen zij de gezamenlijke instructie, omdat zij hiervoor al in hun eigen groepje zijn geplaatst. Wanneer het duidelijk is dat een kind bepaalde doelen echt niet zal gaan halen binnen de periode van het basisonderwijs is divergente differentiatie noodzakelijk. Voor hem/ haar worden dan aparte doelen opgesteld die aansluiten op zijn/ haar niveau. Het kind wordt apart genomen om aan de stof te werken. De kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong leren juist wel van elkaar omdat zij bij elkaar zitten.

Interne en externe differentiatie

Naast het verschil tussen convergente en divergente differentiatie is er ook interne en externe differentiatie. Bij interne differentiatie krijgen de kinderen differentiatie binnen de groep. Iedereen blijft in dezelfde klas in hetzelfde lokaal. Bij externe differentiatie gaan de leerlingen naar een ander lokaal, eventueel naar een andere groep. Hier gaat het dus alleen om divergente differentiatie.

Verschillende manier van differentiëren

Het is mogelijk om te differentiëren op instructie, doelen, leerstof, beoordeling en toetsing:

  • Differentiatie in instructie: de kinderen die moeite met de stof hebben krijgen bijvoorbeeld nog een extra, verlengde instructie.
  • Differentiatie in doelen: sommige leerlingen mogen bepaalde leerstofonderdelen overslaan als zij dit doel al beheersen.
  • Differentiatie in leerstof: de zwakke leerlingen maken bijvoorbeeld minder rekenopdrachten, zodat zij meer tijd en energie kunnen steken in de overige opdrachten en sommige kinderen krijgen andere verdiepingsopdrachten
  • Differentiatie in beoordeling: het ene kind krijgt bij 5 fout een 6, terwijl het andere kind een onvoldoende krijgt.
  • Differentiatie in toetsing: kinderen die bijvoorbeeld moeite hebben met de stof mogen de helft van de toets maken, terwijl de andere kinderen de hele toets moeten maken.