Je Kind Op School

Adaptief onderwijs

Adaptief onderwijs gaat uit van de verschillen tussen kinderen en realiseert passend onderwijs voor kinderen. Hierdoor kunnen kinderen op hun eigen manier en tempo kennis op doen.

Wat is adaptief onderwijs

Adaptief onderwijs gaat uit van drie basisbehoeften van een leerling. Deze zijn als volgt:

  1. Relatie: kinderen moeten het gevoel hebben dat ze erbij horen. Ze moeten zich veilig op school en in de klas voelen. Ze moeten zich door de andere leerlingen geaccepteerd, gewaardeerd en gerespecteerd voelen. Op hun beurt moeten ze anderen ook in hun waarde laten. De leerkracht zorgt ervoor dat hij/ zij tijd neemt voor de leerling. De leerling weet dat hij/ zij de leerkracht kan vertrouwen en dat de leerkracht aandacht voor de kinderen heeft.
  2. Competentie: kinderen leren dat wat ze moeten doen, ze dat aankunnen. Het is dus de taak van de leerkracht om les te geven dat op het niveau van de kinderen aansluit. Kinderen ervaren dat ze steeds meer leren en aankunnen. De leerkracht zorgt ervoor dat er afwisseling tussen de werkvormen is. Alle kinderen krijgen de gelegenheid om aan het woord te komen en de leerkracht stelt ze vragen om op zichzelf te reflecteren.
  3. Autonomie: kinderen leren dat ze hun eigen leergedrag kunnen sturen. Ze leren om zelf verantwoordelijk te zijn voor hun leren. Leerlingen worden uitgedaagd eigen initiatieven en ideeën te tonen. Ze hebben de ruimte om zelf tot oplossingen te komen. Ze krijgen ook verantwoordelijkheid voor de klassenorganisatie.

Adaptief onderwijs wordt vooral toegepast op traditionele vernieuwingsscholen.

In het adaptief onderwijs wordt er veel gebruik gemaakt van verschillende werkvormen. Kinderen leren niet alleen, maar regelmatig in duo’s of in groepjes. De leerstof wordt aan het niveau en de interesses van de leerlingen aangepast zodat ze enthousiast zijn om te leren. De kinderen worden actief bij het leerproces betrokken en raken gemotiveerd. Op deze manier willen ze uit zichzelf leren en wordt het voor iedereen een stuk leuker. Tegelijkertijd leren ze om hun eigen leergedrag te sturen. Ze geven bijvoorbeeld aan wat ze denken aan te kunnen en hoeveel tijd ze daarvoor nodig denken te hebben. Op deze manier geeft de leerkracht ze hun eigen verantwoording over de leerstof. Het zelfvertrouwen van de leerling groeit, want het kind ervaart dat hij/ zij iets kan en dat het lukt.